Jurisprudentie

  • In zaak C-522/16, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing met
    betrekking tot verschillende uitnodigingen tot betaling van aanvullende rechten bij
    invoer en omzetbelasting ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van
    30 september 2016, heeft het Hof op 19 oktober 2017 arrest gewezen. Daarbij heeft het
    Hof onder meer geoordeeld dat onder het begrip „schuldenaar” van de douaneschuld mede
    moet worden begrepen de natuurlijke persoon die nauw en bewust betrokken is geweest
    bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van een structuur van
    handelsstromen, die een verlaging van de wettelijk verschuldigde invoerrechten tot
    gevolg heeft gehad, terwijl hij niet zelf de voor de opstelling van de douaneaangifte
    gebruikte verkeerde gegevens heeft verstrekt. Bovendien oordeelt het Hof dat in dit
    geval de douaneschuld bij invoer is ontstaan doordat aan rechten bij invoer
    onderworpen goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, en dat dit op zichzelf niet
    de mogelijkheid uitsluit om het bedrag van de voor dergelijke goederen verschuldigde
    invoerrechten aan de schuldenaar mede te delen na het verstrijken van de termijn.

  • Het Parket bij de Hoge Raad heeft de op 29 september 2017 opgestelde conclusie
    gepubliceerd in de zaak onder nummer 16/05249 ter zake van de vraag of artikel 181bis
    UCDW kan worden toegepast bij een ‘controle achteraf’ op de voet van artikel 78 CDW.
    De staatssecretaris van Financiën beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende
    ontkennend. Uit het systeem van het CDW en de rechtspraak van het HvJ leidt de A-G af
    dat de procedure als beschreven in artikel 181bis UCDW ook nog in het kader van een
    controle achteraf kan worden toegepast.

  • Het Hof van Justitie heeft op 12 oktober 2017 arrest gewezen in zaak C-661/15
    betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing dat was ingediend door de Hoge
    Raad der Nederlanden. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft ten eerste
    de uitlegging van bepalingen inzake de douanewaarde in het kader van een geding
    betreffende de afwijzing van ingediende verzoeken om terugbetaling van douanerechten
    met betrekking tot voertuigen. Volgens het Hof moet artikel 145, lid 2, van de
    toepassingsverordening CDW worden uitgelegd dat dit artikel van toepassing is op een
    situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin wordt vastgesteld
    dat op de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer van een goed
    het met de fabricage samenhangende risico bestaat dat dit goed bij gebruik ervan
    defect zal raken. De verkoper kan om die reden ter nakoming van een contractuele
    garantieverplichting jegens de koper aan deze een prijsvermindering toekennen in de
    vorm van een vergoeding van de kosten die de koper heeft gemaakt om het goed zodanig
    aan te passen dat het genoemde risico wordt uitgesloten. Voorts oordeelt het Hof dat
    de bepaling van voornoemd artikel ongeldig is voor zover deze bepaling voorziet in
    een termijn van twaalf maanden vanaf de aanvaarding van de aangifte voor het vrije
    verkeer van de goederen waarbinnen de wijziging van de werkelijk betaalde of te
    betalen prijs moet plaatsvinden.

  • Op 12 oktober 2017heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in zaak C‑156/16,
    betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing in een geding over de
    afwijzing van een verzoek tot gedeeltelijke terugbetaling van een antidumpingrecht.
    Het Hof oordeelt dat na de douaneaangifte een geldige handelsrekening voor de
    vaststelling van een definitief antidumpingrecht mag worden overgelegd wanneer aan
    alle andere prealabele voorwaarden die voor de verkrijging van een specifiek
    antidumpingrecht voor de onderneming noodzakelijk zijn, is voldaan, en wanneer de
    eerbiediging van de goede toepassing van de antidumpingrechten gewaarborgd is. Het is
    aan de verwijzende rechterlijke instantie om dat te verifiëren

    .

  • Aan belanghebbende zijn vergunningen verleend voor het gebruik van de regeling
    actieve veredeling, waarbij ook is voorzien in de mogelijkheid van
    equivalentieverkeer en voorafgaande uitvoer. Wat is de termijn voor het indienen van
    de betreffende aanzuiveringsafrekeningen en is het na de termijn indienen daarvan aan
    te merken als een verzuim zonder werkelijke gevolgen? Het Gerechtshof Amsterdam heeft
    in zaaknummer 17/00018 op 29 september 2017 geoordeeld dat de UTB voor zover deze
    haar grondslag vindt in het te laat indienen van de aanzuiveringsafrekeningen (€
    171.689,45) deels onterecht is opgelegd.