Jurisprudentie

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep in de zaak onder nr. 17/00598 op 3
    juli 2018 geoordeeld dat voor wat betreft het historisch belang een Porsche 962C
    zelf, als zodanig, specifieke eigenschappen te hebben. Niet van belang zijn de
    omstandigheden in verband met het gebruik van de auto. Het Hof kwalificeert de auto
    niet als een voorwerp (voor verzamelingen) met een historisch belang in de zin van
    post 9705. Indeling dient daarom te geschieden onder post 8703, onderverdeling 8703
    24 90 (10%). Hieruit volgt dat de bestreden UTB op het juiste bedrag is vastgesteld.

  • De Hoge Raad heeft op 17 augustus 2018 in zaaknummer 16/03533 geoordeeld dat er geen
    sprake was van toerekenbare schijn van volmachtverlening en dat belanghebbende niet
    is aan te merken als douaneschuldenaar.

  • De advocaat-generaal (A-G) heeft op 29 juni 2018 geconcludeerd in de zaak onder nr.
    17/01695 dat uit de stukken van het geding volgt dat op dat moment aan alle
    voorwaarden voor toepassing van het preferentiële tarief is voldaan. Dit brengt
    volgens de A-G mee dat de Inspecteur gehouden was in het onderhavige geval het
    preferentiële tarief toe te passen. De A-G sluit zich dus aan bij de door de
    Rechtbank gebezigde gronden. Het cassatieberoep van de staatssecretaris van Financiën
    is in haar visie ongegron.

    .

  • In geschil is of de douanewaarde voor bepaalde vruchtensappen moet worden bepaald aan
    de hand van de transactiewaardemethode of aan de hand van de terugrekenmethode. De
    Rechtbank Noord-Holland heeft in zaaknummers HAA 16/1503 en HAA 16/1504 op 19 juli
    2018 geoordeeld dat de werkelijke economische waarde van de vruchtensappen ten tijde
    van de invoer niet kon worden vastgesteld op basis van de transactie tussen de
    betrokken ondernemingen.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft in de zaken onder nrs. 16/00536 en 16/00537op 28 juni
    2018 uitspraak gedaan in het hoger beroep in de zaken met kenmerken HAA 13/4953 en
    13/4954 van de rechtbank Noord-Holland. Voor wat betreft de douanewaarde heeft het
    Hof geoordeeld dat het onbekend is wat de kwaliteit en de spreiding in
    transactiewaarden van de onderwerpelijke invoerzendingen is geweest. Het toepassen
    van genoemde gemiddelden is naar ’s Hofs oordeel in de gegeven omstandigheden
    alleszins redelijk, te meer nu de inspecteur zich in casu niet – zoals gebruikelijk –
    heeft beperkt tot CBS-gegevens, maar ook acht heeft geslagen op gemiddelden uit
    Nederlandse en Duitse invoersystemen en de waarden uit laatstgenoemde bronnen heeft
    toegepast indien dat voor belanghebbende een gunstiger resultaat opleverde dan de
    gegevens van het CBS. Het hoger beroep van belanghebbende faalt in zoverre. Met
    betrekking tot de oorsprong stelt het Hof dat de stukken van het geding niet tot een
    andere conclusie leiden dan dat er nimmer transacties hebben plaatsgevonden tussen de
    (vermeende) Bengaalse producenten enerzijds en [Y AB] en [A Ltd] anderzijds. Uit deze
    vaststelling volgt reeds dat de Form A’s niet kunnen dienen als bewijs van de
    preferentiële Bengaalse oorsprong.