Jurisprudentie

  • In PbEU C 257 van 20 juli 2018 zijn aanbevelingen gepubliceerd van het Hof van
    Justitie van de Europese Unie betreffende de essentiële kenmerken van de prejudiciële
    procedure zijn en met welke punten de nationale rechterlijke instanties rekening
    moeten houden voordat zij zich tot het Hof wenden.

  • Eerder had de Rechtbank Noord Holland al geoordeeld dat een afgegeven
    invoercertificaat niet geldt voor de gehele contingentperiode; de datum van afgifte
    is een vanaf-datum. Het Gerechtshof Amsterdam heeft de uitspraak van de Rechtbank
    bevestigd. De Hoge Raad heeft op 13 juli 2018 in de zaak nr. 17/02659 arrest gewezen
    op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De
    middelen kunnen niet tot cassatie leiden.

  • Op 12 juli 2018 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in de gevoegde zaken
    C‑397/17 en C‑398/17, betreffende twee verzoeken om een prejudiciële ingediend door
    de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België) betreffende de
    uitlegging van de postonderverdelingen 7307 11 en 7307 19 10 van de gecombineerde
    nomenclatuur. Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen tussen
    Profit Europe NV en de Belgische Staat over de tariefindeling van hulpstukken van
    gietijzer voor brandinstallaties. Daarbij heeft het Hof geoordeeld dat de
    gecombineerde nomenclatuur aldus moet worden uitgelegd dat gegoten hulpstukken voor
    buisleidingen, van nodulair gietijzer, moeten worden ingedeeld in postonderverdeling
    7307 19 90 van de gecombineerde nomenclatuur.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 3 augustus 2016 in hoger beroep in de zaak
    15/00170 (www.inenuitvoer.nl 2016/3329) geoordeeld dat de ongeldigverklaring c.q.
    intrekking van de Formulieren A op zichzelf reeds voldoende grondslag vormt voor
    navordering van de niet-geheven douanerechten/ antidumpingrechten. Antidumpingrecht
    komt niet in mindering op de douanewaarde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
    In cassatie heeft de Hoge Raad op 29 juni in zaaknummer geoordeeld dat - ook indien
    de verkoper wist dat de opgegeven oorsprong vals was - de nagevorderde
    antidumpingrechten - vanwege de voorwaarde Delivered Duty Paid - toch in mindering op
    de overeengekomen transactieprijs worden gebracht

    .

  • De Hoge Raad heeft op 29 juni 2018 in de zaak 14/02785 arrest gewezen op het beroep
    in cassatie van wijlen [A] gewoond hebbende te [Z], Duitsland (hierna:
    belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 17 april 2014,
    nrs. 13/00225 tot en met 13/00230, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het
    Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen. In aanmerking genomen dat in
    cassatie ervan moet worden uitgegaan dat geen sprake is van schijntransacties heeft
    de Minister onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen concluderen dat
    enig handelen of nalaten van belanghebbende was gericht op het ontduiken van
    aanvullende rechten. Voor zover uitnodigingen tot betaling zijn uitgereikt na het
    verstrijken van de termijn van drie jaar, kunnen deze niet in stand blijven.