Jurisprudentie

  • Op 1 maart 2018 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in de zaak C‑76/17
    betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van
    artikel 30 VWEU. Volgens het Hof moet het Unierecht in die zin worden uitgelegd dat
    een heffingplichtige die feitelijk de last van een met dat artikel strijdige heffing
    van gelijke werking heeft gedragen, teruggaaf moet kunnen krijgen van de bedragen die
    hij uit dien hoofde heeft betaald, zelfs in een situatie waarin het mechanisme voor
    de betaling van de heffing in de nationale wettelijke regeling zodanig is opgezet dat
    deze heffing wordt afgewenteld op de consument.

  • De Hoge Raad heeft op 23 februari 2018 in zaaknummer 15/05977 arrest gewezen op het
    beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam betreffende aan
    belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van aanvullende invoerrechten.
    De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen en houdt iedere verdere beslissing aan en
    schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van vorenstaand
    verzoek uitspraak heeft gedaan.

  • Het Hof van Justitie heeft op 22 februari 2018 arrest gewezen in de zaak C-546/16
    betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van
    posten 8704 10 10 en 8704 21 91 van de gecombineerde nomenclatuur. De verwijzende
    rechter wenst in wezen te vernemen of verordening 2015/221 geldig is. Bij het
    onderzoek van de gestelde vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de
    geldigheid van uitvoeringsverordening (EU) 2015/221 van de Commissie van 10 februari
    2015 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur (PB 2015, L
    37, blz. 1) kunnen aantasten.

  • Het Hof van Justitie heeft in de zaak C-185/17 op 22 februari 2018 uitspraak gedaan
    betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing in de procedure Mitnitsa Varna
    tegen „SAKSA” ÎÎD. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging
    van onder meer de aanvullende aantekening (GN) 2, onder d) en e), op hoofdstuk 27 van
    de gecombineerde nomenclatuur. De verwijzende rechterlijke instantie wenste te
    vernemen of de GN aldus moet worden uitgelegd dat een minerale olie zoals die in het
    hoofdgeding kan worden ingedeeld onder GN postonderverdeling 2710 19 43 als gasolie,
    terwijl deze olie voldoet aan de vereisten bedoeld in norm EN 590:2013 inzake gasolie
    bestemd voor arctische of barre winterse klimatologische omstandigheden. Volgens het
    Hof dient de gecombineerde nomenclatuur aldus te worden uitgelegd dat een minerale
    olie zoals die in het hoofdgeding op grond van haar distillatie-eigenschappen niet
    als gasolie onder postonderverdeling 2710 19 43 van deze nomenclatuur kan worden
    ingedeeld, zelfs niet wanneer deze olie voldoet aan de vereisten bedoeld in
    geharmoniseerde norm EN 590:2013 inzake gasolie bestemd voor arctische of barre
    winterse klimatologische omstandigheden

  • Belanghebbende heeft op in 2016 in verband met diens vestiging in Aruba een verzoek
    gedaan om vrijstelling van invoerrecht voor zijn verhuisboedel, waaronder een
    quadracer. Om in aanmerking te komen voor de vrijstelling gelden voorwaarden,
    waaronder dat de quadracer in de vroegere, normale, verblijfplaats (Nederland), is
    gebruikt. Het vrijstellingsverzoek voor de quadracer is door de Inspecteur afgewezen.
    Het Gerecht in eerste aanleg heeft geoordeeld dat de Inspecteur een vrijstelling had
    moeten verlenen, omdat de quadracer ten minste zes maanden vóór de verhuizing in
    bezit en eigendom is geweest bij belanghebbende en in Nederland is gebruikt. Ter
    zitting bij het Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire,
    Sint Eustatius en Saba heeft belanghebbende verklaard dat hij slechts 1 kilometer met
    de quadracer in Nederland heeft gereden. Dit verwaarloosbaar gebruik wordt door het
    Hof op één lijn gesteld met geen gebruik. Nu niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat
    de quadracer in Nederland is gebruikt, oordeelt het Hof dat de
    verhuisboedelvrijstelling niet kan worden verleend.