Jurisprudentie

  • De Rechtbank Noord-Holland heeft in de zaak 16/4149 op 4 juli 2018 geoordeeld dat bij
    de beoordeling of een strijkijzer en een strijkplankovertrek bij elkaar horen en
    bestemd zijn om in de kleinhandel als één geheel te worden verkocht, de goederen niet
    als stel of assortiment kunnen worden aangemerkt. Bij de beoordeling of goederen bij
    elkaar horen en bestemd zijn om in de kleinhandel als één geheel te worden verkocht,
    is van belang hoe ze in de kleinhandel normaliter worden aangeboden. Niet kan worden
    afgeleid dat alle goederen die aan de consument worden gepresenteerd als een geheel
    als een stel of assortiment moeten worden aangemerkt. Het gelijk is aan de
    inspecteur.

  • Het Hof van Justitie heeft op 25 juli 2018 in zaak C‑445/17 arrest gewezen
    betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing ter zake van de uitlegging van
    de tariefposten 87.03, 87.04 en 87.05van de gecombineerde nomenclatuur over de
    tariefindeling van een lijkwagen. Het Hof heeft daarover geoordeeld dat de GN aldus
    moet worden uitgelegd dat lijkwagens als aan de orde in het hoofdgeding moeten worden
    ingedeeld onder GN-post 87.03.

  • In zaak C‑574/17 P heeft het Hof van Justitie op 25 juli 2018 arrest gewezen in een
    hogere voorziening van de Europese Commissie die strekt tot vernietiging van het
    arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 19 juli 2017, Combaro/Commissie
    (T‑752/14), waarbij het besluit C(2014) 4908 final van de Commissie van 16 juli 2014
    houdende vaststelling dat de kwijtschelding van rechten bij invoer van textiel uit
    Letland met oorsprongscertificaten in een bijzonder geval (REM 05/2013) niet
    gerechtvaardigd is, nietig heeft verklaard. Het Hof oordeelt dat Combaro niet heeft
    aangetoond dat de Commissie in het litigieuze besluit ten onrechte tot de conclusie
    is gekomen dat niet het bewijs van het bestaan van een bijzondere situatie in de zin
    van artikel 239 van het douanewetboek was geleverd, en derhalve dat het eerste
    onderdeel van het als enige door Combaro in eerste aanleg aangevoerde middel moet
    worden afgewezen. Voornoemd arrest wordt vernietigd, het beroep van Combaro SA wordt
    verworpen.

  • In PbEU C 257 van 20 juli 2018 zijn aanbevelingen gepubliceerd van het Hof van
    Justitie van de Europese Unie betreffende de essentiële kenmerken van de prejudiciële
    procedure zijn en met welke punten de nationale rechterlijke instanties rekening
    moeten houden voordat zij zich tot het Hof wenden.

  • Eerder had de Rechtbank Noord Holland al geoordeeld dat een afgegeven
    invoercertificaat niet geldt voor de gehele contingentperiode; de datum van afgifte
    is een vanaf-datum. Het Gerechtshof Amsterdam heeft de uitspraak van de Rechtbank
    bevestigd. De Hoge Raad heeft op 13 juli 2018 in de zaak nr. 17/02659 arrest gewezen
    op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De
    middelen kunnen niet tot cassatie leiden.