Jurisprudentie

  • In de zaak C-195/18 B.S heeft het geding betrekking op de indeling van een door
    beklaagde vervaardigd product onder de juiste douanecode van de gecombineerde
    nomenclatuur. In het bijzonder op de vraag of een door B. S. vervaardigde „drank op
    basis van bier en niet-alcoholhoudende dranken” diende te worden aangemerkt als een
    mengsel van bier van post 22.03 en niet-alcoholhoudende dranken, dan wel of het ging
    om een „drank op basis van andere gegiste dranken en niet-alcoholhoudende dranken”,
    welke diende te worden ingedeeld onder post 22.06.

  • In de zaak C-138/18 Estron betreft het de indeling verbindingsstukken van
    hoorapparaten, specifiek in hoeverre de verbindingsstukken als die aan de orde in
    deze zaak worden ingedeeld onder GN-postonderverdeling 8544 42 90,
    GN-postonderverdeling 9021 40 00 of GN-postonderverdeling 9021 90 10. Volgens de
    Deense rechter is eveneens voldoende twijfel gerezen over de uitlegging van de in het
    gemeenschappelijk douanetarief opgenomen aantekeningen, waaronder de vraag naar de
    uitlegging van aantekening 2, onder a), op hoofdstuk 90 van het gemeenschappelijk
    douanetarief, gelezen in samenhang met de andere aantekeningen op het
    gemeenschappelijk douanetarief, zodat een verzoek om een prejudiciële beslissing bij
    het Hof moet worden ingediend.

  • De Hoge Raad heeft op 20 april 2018 arrest gewezen in de zaak 16/00410 op het beroep
    in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
    Gerechtshof Amsterdam van 15 december 2015, nrs. 14/00707 tot en met 14/00711,
    betreffende bij vijf beschikkingen ten aanzien van belanghebbende gegeven bindende
    tariefinlichtingen. De Hoge Raad acht het niet buiten redelijke twijfel of de
    beeldschermen reeds zijn uitgesloten van indeling in postonderverdeling 8528 51 00
    van de GN vanwege de eigenschap dat zij niet zijn ontworpen voor werk op korte
    afstand. De Hoge Raad verzoekt daarom het Hof van Justitie van de Europese Unie
    uitspraak te doen over de vraag in hoeverre de postonderverdelingen 8528 51 00 en
    8528 59 40 van de Gecombineerde Nomenclatuur (tekst van 1 januari 2007 tot 25 oktober
    2013) zo moeten worden uitgelegd dat platte lcd-beeldschermen, ontworpen en
    vervaardigd voor de weergave van uit een automatische gegevensverwerkende machine
    afkomstige gegevens en van uit andere bronnen afkomstige samengestelde videosignalen,
    ongeacht de overige objectieve kenmerken en eigenschappen van de specifieke monitor,
    worden ingedeeld in postonderverdeling 8528 59 40 van de GN indien zij vanwege hun
    afmeting, gewicht en functionaliteit niet geschikt zijn voor werk op korte afstand.
    Tevens vraag de Hoge Raad of het daarbij van belang of de gebruiker (de lezer) van
    het scherm en de persoon die gegevens in de automatische gegevensverwerkende machine
    bewerkt en/of invoert dezelfde is. De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan
    en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van vorenstaand
    verzoek uitspraak heeft gedaan.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 13 februari 2018 na verwijzing door de Hoge Raad
    uitspraak gedaan in zaaknr. 17/00433, waarbij onder meer de vraag aan bod kwam in
    hoeverre de in een verzoek om terugbetaling door belanghebbende aangevoerde
    omstandigheden in aanmerking komen voor toepassing van een andere bepaling dan
    artikel 239 CDW, te weten terugbetaling op de voet van de artikelen 236, 237 of 238
    van het CDW. Volgens het Gerechtshof zijn in het verzoek om terugbetaling, noch in de
    motivering daarvan, noch in het bezwaarschrift, noch in de aanvulling daarvan,
    omstandigheden aangevoerd die mogelijkerwijs in aanmerking komen voor toepassing van
    deze artikelen.

  • Eiseres heeft in 2013 aangifte gedaan om een partij goederen van porselein van
    GS-post 6911, van oorsprong uit Bangladesh, in het vrije verkeer te brengen onder
    overlegging van een Form A met daarbij een beroep op toepassing van het preferentiële
    tarief van 0%. Naar de mening van verweerder was voor de goederen van de onderhavige
    aangifte ten onrechte het preferentiële tarief van 0% toegepast en in plaats daarvan
    het normale tarief van 12% had moeten worden toegepast. Het Gerechtshof Amsterdam
    heeft op 27 februari 2018 in zaaknr. 17/00489 geoordeeld ter zake van de tijdigheid
    van de uitreiking van een uitnodiging tot betaling. Daarbij is het oordeel van de
    rechtbank dat de verjaringstermijn van de onderhavige douaneschuld niet kan worden
    opgeschort door het Hof bevestigd. Verweerder heeft de UTB voor wat betreft de
    onderhavige douaneschuld aan eiseres verzonden na afloop van de daarvoor geldende
    termijn, waardoor deze in zoverre niet in stand kan blijven.