Jurisprudentie

  • Het Hof van Justitie heeft op 9 november 2017 in de zaak C-46/16 uitspraak gedaan in
    een verzoek om een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van de methode
    die moet worden gebruikt om de douanewaarde te bepalen van goederen die tijdens het
    vervoer op het douanegebied van de Europese Unie onrechtmatig aan het douanetoezicht
    zijn onttrokken. Het Hof oordeelt daarbij onder meer dat artikel 29, lid 1, van het
    CDW, moet worden uitgelegd dat de daarin genoemde methode voor de vaststelling van de
    douanewaarde niet geldt voor goederen die niet voor uitvoer naar de Europese Unie
    zijn verkocht.

  • Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao heeft op 1 november in de zaaknummers BBZ
    nrs. CUR201500080 en CUR201500082 geoordeeld dat het ingevoerde elektrische voertuig
    vergelijkbaar is met een golfkar en daarom wordt ingedeeld onder goederencode
    8703.1000. Aan de uitlatingen van de Minister-President kan geen gerechtvaardigd
    vertrouwen worden ontleend dat alle elektrische voertuigen vrij van invoerrechten
    kunnen worden ingevoerd. Het invoerpercentage bedraagt 27%.

  • Op 26 oktober heeft het Hof van Justitie geoordeeld in zaak C‑407/16 aangaande het
    verzoek om een prejudiciële beslissing betreffende de heffing van invoerrechten naar
    aanleiding van een controle achteraf van een douaneaangifte. Daarbij was vastgesteld
    dat het certificaat van oorsprong „formulier A” op onrechtmatige wijze was afgegeven
    en dat de betrokken goederen ten onrechte waren vrijgesteld van douanerechten. Het
    Hof oordeelt onder meer dat de in een verslag van het Europees Bureau voor
    fraudebestrijding (OLAF) opgenomen informatie betreffende het gedrag van de
    douaneautoriteiten van de staat van uitvoer en de exporteur deel uitmaakt van het
    bewijs dat in aanmerking moet worden genomen om vast te stellen of is voldaan aan de
    voorwaarden waaronder een importeur zich krachtens deze bepaling op een gewettigd
    vertrouwen kan beroepen. Voor zover een dergelijk verslag, gelet op de daarin
    opgenomen informatie, evenwel niet volstaat om rechtens genoegzaam te bewijzen of
    daadwerkelijk in alle opzichten aan deze voorwaarden is voldaan, waarbij het aan de
    nationale rechter staat om dit na te gaan, kunnen de douaneautoriteiten gehouden zijn
    om hiertoe aanvullend bewijs aan te dragen, met name door controles achteraf te
    verrichten.

  • Op 19 oktober 2017 heeft het Hof van Justitie in de zaak C‑556/16 arrest gewezen
    betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van
    onderverdeling 6212 20 00 van de gecombineerde nomenclatuur met betrekking tot de
    tariefindeling van vormslips. Daarbij heeft het Hof geoordeeld dat een onderbroek die
    wordt gekenmerkt door een verminderde elasticiteit in de breedte, maar desondanks
    geen niet-elastische elementen bevat die in de breedterichting in het product zijn
    verwerkt, kan worden ingedeeld in onderverdeling 6212 20 00 van de gecombineerde
    nomenclatuur wanneer uit onderzoek blijkt dat deze een sterk verminderde elasticiteit
    in de breedte bezit om het menselijk lichaam te ondersteunen en te zorgen voor een
    slanker silhouet.

  • In zaak C-522/16, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing met
    betrekking tot verschillende uitnodigingen tot betaling van aanvullende rechten bij
    invoer en omzetbelasting ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van
    30 september 2016, heeft het Hof op 19 oktober 2017 arrest gewezen. Daarbij heeft het
    Hof onder meer geoordeeld dat onder het begrip „schuldenaar” van de douaneschuld mede
    moet worden begrepen de natuurlijke persoon die nauw en bewust betrokken is geweest
    bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van een structuur van
    handelsstromen, die een verlaging van de wettelijk verschuldigde invoerrechten tot
    gevolg heeft gehad, terwijl hij niet zelf de voor de opstelling van de douaneaangifte
    gebruikte verkeerde gegevens heeft verstrekt. Bovendien oordeelt het Hof dat in dit
    geval de douaneschuld bij invoer is ontstaan doordat aan rechten bij invoer
    onderworpen goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, en dat dit op zichzelf niet
    de mogelijkheid uitsluit om het bedrag van de voor dergelijke goederen verschuldigde
    invoerrechten aan de schuldenaar mede te delen na het verstrijken van de termijn.