Jurisprudentie

  • De Hoge Raad heeft op 6 april 2018 arrest gewezen in de zaak 16/01523 betreffende aan
    belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De Hoge Raad
    stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie , onder meer in hoeverre een
    aangever in het kader van een boeking achteraf alsnog kan kiezen voor een andere,
    lagere transactieprijs van ingevoerde goederen met het oog op het verlagen van de
    douaneschuld. De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding
    totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van vorenstaand verzoek uitspraak heeft
    gedaan.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 14 februari 2017 uitspraak gedaan in de zaak
    16/00295 betreffende de indeling van een stof, met een breedte van drie meter, welke
    dient voor het vervaardigen van plisségordijnen. Anders dan belanghebbende is het Hof
    van oordeel dat het hier een geconfectioneerd artikel betreft. Het goed kan echter
    niet, zoals de inspecteur heeft betoogd en de rechtbank hem daarin heeft gevolgd,
    ingedeeld worden in post GN-code 6303 9210 (vitrages en gordijnen). Het Hof heeft het
    onderhavige goed met toepassing van indelingsregel 1 en 6, ingedeeld in GN-code 6307
    9098, als een ‘ander geconfectioneerd artikel’. De Hoge Raad verklaart het beroep van
    de Staatssecretaris in cassatie ongegrond.

  • De Rechtbank Noord-Holland heeft op 8 september 2015 geoordeeld dat een product, dat
    wordt gebruikt als eindstuk of toebehoren van de stalen kabels van hijs- en
    heftoestellen (een zogenoemde harpsluiting met moerbout) niet als een deel van een
    hijsinrichting, maar moet worden ingedeeld onder goederencode 7326 9098. In hoger
    beroep heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan en daarbij
    geoordeeld dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en dat de uitspraak
    van de rechtbank dient te worden bevestigd. De Hoge Raad verklaart het beroep in
    cassatie ongegrond.

  • In PbEU C 104 van 19 maart 2018 is het verzoek om een prejudiciële beslissing
    bekendgemaakt in de zaak C-1/18. Het verzoek ziet onder meer op de vraag in hoeverre
    er bij de invoer van geneesmiddelen voor de berekening van de douanewaarde van de
    ingevoerde goederen met toepassing van artikel 30 CDW, moet worden uitgegaan dat als
    soortgelijke goederen moeten worden beschouwd geneesmiddelen die dezelfde (of een
    soortgelijke) werkzame stof bevatten in dezelfde (of een soortgelijke) hoeveelheid.
    Of moet bij de identificatie van soortgelijke goederen ook rekening worden gehouden
    met de marktpositie, dat wil zeggen met de populariteit van en de vraag naar het
    desbetreffende geneesmiddel en de fabrikant ervan?

  • Het Hof van Justitie heeft op 15 maart 2018 arrest gewezen in de zaak C 256/16
    betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing, betreffende de geldigheid van
    uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 van de Commissie van 17 februari 2016 tot
    vaststelling van een procedure voor de beoordeling van bepaalde verzoeken om
    behandeling als marktgerichte onderneming en verzoeken om individuele behandeling van
    producenten-exporteurs uit China en Vietnam en tot uitvoering van het arrest van het
    Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14. Bij
    het onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die
    de geldigheid kunnen aantasten van voornoemde uitvoeringsverordening.