Jurisprudentie

  • Op 12 juli 2018 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in de gevoegde zaken
    C‑397/17 en C‑398/17, betreffende twee verzoeken om een prejudiciële ingediend door
    de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België) betreffende de
    uitlegging van de postonderverdelingen 7307 11 en 7307 19 10 van de gecombineerde
    nomenclatuur. Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen tussen
    Profit Europe NV en de Belgische Staat over de tariefindeling van hulpstukken van
    gietijzer voor brandinstallaties. Daarbij heeft het Hof geoordeeld dat de
    gecombineerde nomenclatuur aldus moet worden uitgelegd dat gegoten hulpstukken voor
    buisleidingen, van nodulair gietijzer, moeten worden ingedeeld in postonderverdeling
    7307 19 90 van de gecombineerde nomenclatuur.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 3 augustus 2016 in hoger beroep in de zaak
    15/00170 (www.inenuitvoer.nl 2016/3329) geoordeeld dat de ongeldigverklaring c.q.
    intrekking van de Formulieren A op zichzelf reeds voldoende grondslag vormt voor
    navordering van de niet-geheven douanerechten/ antidumpingrechten. Antidumpingrecht
    komt niet in mindering op de douanewaarde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
    In cassatie heeft de Hoge Raad op 29 juni in zaaknummer geoordeeld dat - ook indien
    de verkoper wist dat de opgegeven oorsprong vals was - de nagevorderde
    antidumpingrechten - vanwege de voorwaarde Delivered Duty Paid - toch in mindering op
    de overeengekomen transactieprijs worden gebracht

    .

  • De Hoge Raad heeft op 29 juni 2018 in de zaak 14/02785 arrest gewezen op het beroep
    in cassatie van wijlen [A] gewoond hebbende te [Z], Duitsland (hierna:
    belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 17 april 2014,
    nrs. 13/00225 tot en met 13/00230, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het
    Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen. In aanmerking genomen dat in
    cassatie ervan moet worden uitgegaan dat geen sprake is van schijntransacties heeft
    de Minister onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen concluderen dat
    enig handelen of nalaten van belanghebbende was gericht op het ontduiken van
    aanvullende rechten. Voor zover uitnodigingen tot betaling zijn uitgereikt na het
    verstrijken van de termijn van drie jaar, kunnen deze niet in stand blijven.

  • De Hoge Raad heeft op 29 juni 2018 in de zaak 14/02786 arrest gewezen op het beroep
    in cassatie van [X] te [Z], Duitsland tegen de uitspraak van het Gerechtshof
    Amsterdam van 17 april 2014, nrs. 13/00219 tot en met 13/00224, betreffende aan
    belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van aanvullende invoerrechten
    en omzetbelasting. De zaak zag onder meer op misbruik van recht, invoerprijs van
    kippenvlees beneden de reactieprijs, aansprakelijkheid van natuurlijke persoon die
    nauw en bewust betrokken was bij het bedenken en opzetten van structuur van
    handelsverkopen, het verlenging van de mededelingstermijn van drie jaar. Uiteindelijk
    heeft de Hoge Raad geoordeeld dat er geen ontduiking van rechten heeft
    plaatsgevonden. Wat de schending van het verdedigingsbeginsel betreft, laten de
    stukken van het geding geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende tijdens de
    bezwaar- en de beroepsfase stellingen heeft aangevoerd waarvan op voorhand niet kon
    worden uitgesloten dat deze tot een andere afloop van het besluitvormingsproces
    hadden kunnen leiden. Dit brengt mee dat de uitnodigingen tot betaling niet in stand
    kunnen blijven. Wel staat onherroepelijk vast dat de onderhavige aanvullende rechten
    zijn verschuldigd en dat zij terecht zijn geboekt. Voorts volgt hieruit dat
    belanghebbende voor die aanvullende rechten schuldenaar is. Het staat de Minister
    vrij opnieuw uitnodigingen tot betaling vast te stellen en aan belanghebbende te doen
    uitreiken.

  • De Europese Commissie heeft bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/23 de indeling
    in de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld van een T-vormig artikel van staal. Het
    artikel heeft de objectieve kenmerken van hulpstukken (fittings) voor buisleidingen
    en moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 7307 93 19. In de zaak C-306/18 Korado
    a.s. is het Hof van |Justitie onder meer verzocht na te gaan in hoeverre de
    verordening 2015/23 gelding is.