Jurisprudentie

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 15 september 2016 in de zaak 15/00190 geoordeeld
    dat de indeling van een reflector voor een lamp dient te geschieden met behulp van
    indelingsregel 3 b, hetgeen inhoudt dat het product moet worden ingedeeld naar de
    stof waaraan het werk zijn wezenlijk karakter ontleent (aluminium strippen). Indeling
    dient daarom te geschieden in onderverdeling 76061191/19099/van-minder-dan-3-mm">7606 11
    91. De Hoge Raad oordeelt dat een reflectorspiegel niet voldoet aan de
    omschrijving van het begrip delen in de GN, en dus ook niet moet worden ingedeeld als
    deel van een verlichtingstoestel in de zin van post 94.05 van de GN. Op grond hiervan
    faalt het middel.

  • De Hoge Raad heeft op 23 februari 2018 in zaaknummer 15/05977 arrest gewezen op het
    beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam betreffende aan
    belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van aanvullende invoerrechten.
    De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen en houdt iedere verdere beslissing aan en
    schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van vorenstaand
    verzoek uitspraak heeft gedaan. Het Hof van Justitie heeft de zaak geregistreerd
    onder nr. C-160/18 X.

  • De Hoge Raad heeft op 6 april 2018 arrest gewezen in de zaak 16/01523 betreffende aan
    belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De Hoge Raad
    stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie , onder meer in hoeverre een
    aangever in het kader van een boeking achteraf alsnog kan kiezen voor een andere,
    lagere transactieprijs van ingevoerde goederen met het oog op het verlagen van de
    douaneschuld. De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding
    totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van vorenstaand verzoek uitspraak heeft
    gedaan. Het Hof van Justitie heeft de zaak geregistreerd onder nr. C-249/18 CEVA
    Freight Holland.

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 19 april 2018 in zaaknummer 17/00332 geoordeeld
    dat etidroninezuur in een waterige oplossing (60% actieve bestanddelen etidroninezuur
    en 40% water) niet in aanmerking komt voor vrijstelling van douanerechten als bedoeld
    in Bijlage, eerste deel, titel II, deel C (Farmaceutische producten), bij Verordening
    nr. 2658/87. Het product komt niet voor vrijstelling in aanmerking, zodat niet de
    aanvullende TARIC-code 2500, maar aanvullende TARIC-code 2501 van toepassing is. De
    inspecteur is daarom terecht overgegaan tot intrekking van de BTI.

  • In de zaak C-226/18 zijn prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie met
    betrekking tot de toepasselijkheid van de vrijstelling van een antidumpingrecht en
    een compenserend recht en de toelaatbaarheid van de latere overlegging van een
    verbintenisfactuur en een verbinteniscertificaat voor uitvoer binnen een door de
    douaneautoriteiten gestelde termijn of in de beroepsprocedure tegen de vaststelling
    van de douaneschuld. Bovendien is de vraag gesteld over de gevolgen van een in de
    verbintenisfactuur vervatte onjuiste aanduiding van het besluit dat tot vrijstelling
    leidt.