Jurisprudentie

  • Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 13 februari 2018 na verwijzing door de Hoge Raad
    uitspraak gedaan in zaaknr. 17/00433, waarbij onder meer de vraag aan bod kwam in
    hoeverre de in een verzoek om terugbetaling door belanghebbende aangevoerde
    omstandigheden in aanmerking komen voor toepassing van een andere bepaling dan
    artikel 239 CDW, te weten terugbetaling op de voet van de artikelen 236, 237 of 238
    van het CDW. Volgens het Gerechtshof zijn in het verzoek om terugbetaling, noch in de
    motivering daarvan, noch in het bezwaarschrift, noch in de aanvulling daarvan,
    omstandigheden aangevoerd die mogelijkerwijs in aanmerking komen voor toepassing van
    deze artikelen.

  • Eiseres heeft in 2013 aangifte gedaan om een partij goederen van porselein van
    GS-post 6911, van oorsprong uit Bangladesh, in het vrije verkeer te brengen onder
    overlegging van een Form A met daarbij een beroep op toepassing van het preferentiële
    tarief van 0%. Naar de mening van verweerder was voor de goederen van de onderhavige
    aangifte ten onrechte het preferentiële tarief van 0% toegepast en in plaats daarvan
    het normale tarief van 12% had moeten worden toegepast. Het Gerechtshof Amsterdam
    heeft op 27 februari 2018 in zaaknr. 17/00489 geoordeeld ter zake van de tijdigheid
    van de uitreiking van een uitnodiging tot betaling. Daarbij is het oordeel van de
    rechtbank dat de verjaringstermijn van de onderhavige douaneschuld niet kan worden
    opgeschort door het Hof bevestigd. Verweerder heeft de UTB voor wat betreft de
    onderhavige douaneschuld aan eiseres verzonden na afloop van de daarvoor geldende
    termijn, waardoor deze in zoverre niet in stand kan blijven.

  • In de zaak 16/00021 heeft het Gerechtshof Amsterdam geoordeeld over de indeling van
    dierfiguren met een koffertje. Het product dient met toepassing van indelingsregel 1
    en 6 te worden ingedeeld in post 9503, GN-onderverdeling 9503 0070, als 'ander
    speelgoed, aangeboden in assortimenten’. De Hoge Raad heeft op 13 april 2018 arrest
    gewezen op het beroep in cassatie van belanghebbende waarbij is geoordeeld dat het
    middel niet tot cassatie kan leiden.

  • Op 12 april 2018 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in de zaak C-227/17 naar
    aanleiding van een verzoek om een prejudiciële beslissing betreffende van de
    uitlegging van de onderverdelingen 9021 10 10, 9021 10 90 en 9021 90 90
    (orthopedische artikelen) van de gecombineerde nomenclatuur. Het Hof heeft daarbij
    geoordeeld dat de indeling van spinale fixatiesystemen in onderverdeling 9021 90 90
    van de gecombineerde nomenclatuur uitgesloten is wanneer die systemen in een andere
    onderverdeling van post 90.21 van de gecombineerde nomenclatuur kunnen worden
    ingedeeld. De eventuele indeling van die systemen in onderverdeling 9021 10 10 of
    onderverdeling 9021 10 90 van de gecombineerde nomenclatuur hangt af van hun
    kenmerkende hoofdfunctie, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om deze te
    bepalen rekening houdend met de eigenschappen en de objectieve kenmerken van de
    betrokken systemen alsook met het gebruik waarvoor zij zijn bestemd en het gebruik
    dat er concreet van wordt gemaakt.

  • Op 6 april 2018 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in zaak 17/01658 op het beroep in
    cassatie betreffende een bij beschikking ten aanzien van belanghebbende gegeven
    bindende tariefinlichting voor de indeling van een e-reader. Belanghebbende heeft een
    aantal middelen voorgesteld. Volgens de Hoge Raad kunnen de middelen niet tot
    cassatie leiden. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.