Jurisprudentie

  • Het Hof van Justitie te Luxemburg heeft geconcludeerd dat de verplichting tot het
    aanbrengen bij de douane van goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden
    binnengebracht rust op de bestuurder en eventueel de bijrijder van de vrachtwagen,
    zelfs als het goederen betreft die in een geheime bergplaats waren verborgen en zelfs
    indien deze goederen zonder hun medeweten in de vrachtwagen werden verborgen. Het
    niet nakomen van deze verplichting door deze personen leidt er tevens toe dat zij
    worden aangemerkt als belastingschuldenaar.

  • Op 4 maart 2004 heeft het Hof van Justitie EG arrest gewezen in de zaak C-130/02.
    Volgens het Hof is Verordening (EG) nr. 306/2001 geldig, voorzover deze de bij de
    nummers 2 en 3 van de bijlage beschreven preparaten op basis van extract van thee,
    bevattende 2,5% respectievelijk 2,2% thee-extract, onder GN-code 2101 2092 indeelt.
    De indeling vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 306/2001 is naar analogie ook van
    toepassing op de indeling van twee mengsels die zijn bestemd voor de vervaardiging
    van dranken op basis van thee en beide zijn samengesteld uit 64% kristalsuiker en
    1,9% thee-extract en water, alsmede, in het geval van een van de mengsels, 0,8%
    citroenzuur.

  • Op 4 maart 2004 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen arrest
    gewezen in de zaak C-290/01. Volgens het Hof staat het een douane-expediteur of diens
    vertegenwoordiger vrij om de representativiteit van een door de douaneautoriteiten
    genomen monster te betwisten wanneer hem door de douane wordt verzocht om, naar
    aanleiding van de door de douane uitgevoerde analyses van het monster, aanvullende
    invoerrechten te betalen. Als voorwaarde geldt wel dat de betrokken goederen niet
    zijn vrijgegeven of, indien vrijgave heeft plaatsgevonden, deze goederen niet op
    enige wijze zijn veranderd. Het is aan die expediteur om dit laatste te bewijzen.

  • Hoge Raad bevestigt oordeel Hof Amsterdam (douanekamer) dat op grond van de vorm, de
    snit en het aangezicht van de sandalen kan niet worden onderkend dat deze zijn
    ontworpen voor sportieve bezigheden; veeleer is 'overeenkomstig de maatschappelijke
    opvattingen omtrent dit type schoeisel' sprake van schoeisel, ontworpen voor algemeen
    'dagelijks' gebruik. Dat gebruik voor sportieve bezigheden, zoals kanovaren, op
    zichzelf beschouwd mogelijk is, kan aan deze oordelen niet afdoen.

  • Universele korrelpersen waarmee veel verschillende stoffen/materialen kunnen worden
    verwerkt en die zijn bestemd om in allerlei (proces)industrieën te worden gebruikt
    voor het verdichten van materialen moeten onder post 84.79 worden ingedeeld.